Een cluster krijgt pas betekenis als er planeenheden aan hangen. Dat koppelen doe je vanuit de
tabel Planeenheden, waar je in één keer ook de onderliggende planeenheden kunt meenemen. Deze
handleiding laat de stappen zien.
Het cluster moet al bestaan. Aanmaken doe je in Beheer > Tabellen > Clusters; zie de
handleiding over het aanmaken van clusters.1. Open de tabel Planeenheden
Ga naar Beheer > Tabellen, tabblad Instellingen en stamgegevens, en kies de tabel
Planeenheden. Zoek de planeenheid op die je wilt koppelen. Met het veld Zoeken filter je op
naam of code; met het pijltje voor een regel klap je de onderliggende planeenheden open.
2. Kies de actie Koppel aan Cluster
Ga met de muis over de regel van de planeenheid en klik in de kolom Acties op het pictogram met
de drie puntjes. Kies Koppel aan Cluster.
In hetzelfde menu staan ook Koppel aan Werkgever, Beheer Medewerkerpool en Beheer
Aanvraagpool.
3. Kies het cluster en de omvang
Rechts opent het venster Koppel aan Cluster.
Kies bovenin bij Cluster het cluster waaraan je wilt koppelen. Bepaal daarna bij Welke hoe
ver de koppeling gaat:
| Keuze | Wat er gekoppeld wordt |
Alleen deze | Alleen de gekozen planeenheid. |
Alleen directe kinderen | De planeenheden die één niveau onder de gekozen planeenheid hangen. |
Deze en alle onderliggende | De gekozen planeenheid en alle planeenheden daaronder. |
Onder de keuze staat de boom met de planeenheden, zodat je kunt zien wat de keuze raakt. Klik op
Opslaan; de planeenheden horen dan bij het cluster.
4. Controleer de koppeling
De koppeling is ook per planeenheid te zien: kies in Planeenheden de planeenheid en open het
tabblad Clusters. Daar staan de clusters waaraan de planeenheid hangt, en haal je met het
kruisje een koppeling weer weg.
In de tabel Planeenheden kun je met het filter Cluster bovenaan snel zien welke
planeenheden al aan een cluster hangen.